| |
Atletiekinformatie.nl |
| |
Atletiek: springen
Naast de eerder genoemde hardlooponderdelen kent de atletieksport ook een aantal springonderdelen. Hoogspringen is waarschijnlijk het bekendste springonderdeel. Het is de bedoeling dat de deelnemer over een lat springt die tussen twee staanders bevestigd is. De lat mag uiteraard niet vallen. De winnaar is diegene die zo hoog mogelijk gesprongen heeft. De springmethode die de hoogspringers gebruiken wordt de Fosburyflop genoemd. Deze opvallende techniek was voor het eerst te zien tijdens de zomerspelen van 1968 in Mexico-stad. De hoogspringer die deze techniek gebruikte was de Amerikaan Dick Fosbury.
Polsstokhoogspringen
Een gevaarlijk atletiekonderdeel is het polsstokhoogspringen. Met behulp van een flexibele stok probeert de deelnemer zo hoog mogelijk over een lat te springen. Er is sprake van een geslaagde poging als de lat blijft liggen. Als een deelnemer er tot drie maal toe niet in slaagt om over de lat te springen, dan moet hij de wedstrijd verlaten. De polsstok wordt gemaakt van zeer flexibel materiaal. Vroeger werd er gesprongen met stokken van bamboe en hout, tegenwoordig gebruiken atleten stokken van carbon en glasvezel. Atleten kunnen een hoogte bereiken van boven de zes meter.
Verspringen
Het onderdeel verspringen wordt uitsluitend op buitenbanen uitgevoerd. Het is de bedoeling dat de atleet na een aanloop zo ver mogelijk springt. Het wereldrecord bedraagt 8,95 meter en is in handen van Mike Powel. Een verspringwedstrijd bestaat uit drie sprongen. Een sprong wordt ongeldig verklaard als de springer een voet voorbij de afzetbalk plaatst.
Hink-stap-sprong
Het laatste springonderdeel dat we behandelen is het hink-stap-springen (ook wel driesprong genoemd). Technisch gezien is dit een lastige discipline binnen de atletieksport. Een atleet moet verschillende acties achter elkaar verrichten. De deelnemer begint met een aanloop, vervolgens zet de atleet af. De deelnemer op dezelfde voet als waarmee hij afgezet heeft landen. Dit is de hinksprong. Hierna maakt de atleet een stap en moet hij op zijn andere voet terechtkomen. Daarna maakt de atleet een sprong (net als bij het verspringen) en land deze in de zandbak.
|

|
|

|
| |